De burgerlijke rechtbank van Malta heeft geweigerd een definitief vonnis uit te voeren dat door een Oostenrijkse rechtbank werd uitgesproken in een zaak rond online kansspelen, onder verwijzing naar haar nationale wetgeving, bekend als Bill 55. De beslissing heeft betrekking op een financiële vordering van een Oostenrijkse speler tegen een in Malta vergunde operator.
Een zaak met een lange voorgeschiedenis
In december 2021 heeft een regionale burgerlijke rechtbank in Wenen, Oostenrijk, uitspraak gedaan ten gunste van een Oostenrijkse speler, alias TQ, die bijna 48.546 € aan terugbetalingen eiste van een online kansspeloperator, Virtual Digital Services Limited. Volgens de Oostenrijkse rechtbank had de operator deze speler bediend zonder te beschikken over een lokale vergunning in Oostenrijk, wat volgens de Oostenrijkse wetgeving zijn activiteiten onwettig maakte en recht gaf op restitutie.
Drie jaar later werd dit vonnis, dat definitief werd na bevestiging in beroep in april 2022, voorgelegd aan een rechtbank in Malta, waarbij de eiser de uitvoering van het vonnis zocht in het land waar de operator was vergund. Maar op 30 januari 2026 wees de eerste burgerlijke kamer van de rechtbank van Malta dit verzoek af. De rechter oordeelde dat de erkenning van dit buitenlandse vonnis strijdig was met de Maltese openbare orde en verwees daarbij naar artikel 56A van de Gaming Act — beter bekend als Bill 55.
Bill 55: bescherming of omzeiling van Europese regels?
Bill 55, aangenomen door het Maltese parlement in 2023, wijzigt het juridische kader van het land inzake online kansspelen door de invoeging van artikel 56A in het nationale recht. Deze bepaling verleent Maltese rechtbanken de bevoegdheid om de erkenning en uitvoering van buitenlandse rechterlijke beslissingen te weigeren wanneer zij oordelen dat deze vonnissen in conflict zijn met of afbreuk doen aan de wettigheid van het aanbieden van kansspeldiensten vanuit of onder een Maltese vergunning.
Aan Maltese zijde wordt deze tekst verdedigd als een verduidelijking en codificatie van een lang bestaand beleid dat gericht is op de bescherming van de integriteit van haar vergunningenstelsel, dat door voorstanders als streng en betrouwbaar wordt beschouwd. De Malta Gaming Authority (MGA) stelt dat het land beschikt over een robuust kader inzake de bestrijding van witwassen, audits rond verantwoord spelen en spelersbescherming, en dat Bill 55 geen nieuwe immuniteiten invoert maar louter bestaande rechten interpreteert onder het reeds toepasselijke Europese recht.
Maar volgens verschillende lidstaten en Europese juristen gaat de Maltese wet verder dan dat kader. Overeenkomstig het beginsel van wederzijdse erkenning van burgerlijke beslissingen, vastgelegd in de Brussel I bis-verordening, moeten nationale vonnissen van een lidstaat immers worden erkend en uitgevoerd in een andere lidstaat, behalve in zeer beperkte omstandigheden. Critici zijn van mening dat deze bepaling veel verder gaat dan wat het Europese recht toestaat en Malta tot een juridisch toevluchtsoord maakt voor operatoren die zich elders in Europa niet aan lokale verplichtingen willen conformeren.
Een institutionele botsing
De Maltese beslissing om de uitvoering van het Oostenrijkse vonnis terzijde te schuiven, kwam niet in een juridisch vacuüm tot stand. Sinds de inwerkingtreding van Bill 55 heeft de Europese Commissie formele stappen ondernomen tegen Valletta. In juni 2025 stuurde Brussel een aanmaningsbrief naar de Maltese autoriteiten, waarin werd gesteld dat het land inbreuk had gemaakt op de regels van de interne markt en op het beginsel van vertrouwen tussen de lidstaten.
Deze inbreukprocedure kan uitmonden in een met redenen omkleed advies of zelfs in een verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) indien Malta weigert zijn wetgeving aan te passen. Volgens de Commissie druist het systematisch inroepen door Malta van openbare-ordemotieven om vonnissen uit andere lidstaten te verwerpen in tegen de geest van de Europese verordening.
Terwijl Malta zijn positie verdedigt achter een dicht en complex juridisch scherm, blijven de Europese instellingen en verschillende lidstaten vasthouden aan het standpunt dat wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen een onmisbare pijler van de interne markt vormt. De volgende stap ligt nu bij de Europese rechtbanken en, indien nodig, bij het Hof van Justitie van de EU. Een uitspraak van dat Hof zou het evenwicht opnieuw kunnen bepalen tussen nationale soevereiniteit op het vlak van gokregulering en communautaire verplichtingen.