EuroMillions: moet de jackpot geplafonneerd worden?
Wat als EuroMillions zou stoppen met het creëren van multimiljonairs en zijn winsten breder zou verdelen? Econoom en gastprofessor aan de Universiteit Gent Jonas Van der Slycken verdedigt een grondige transformatie van het loterijmodel. Zijn belangrijkste voorstel: het plafond van de EuroMillions-jackpot vastleggen op 10 miljoen euro en de extra bedragen herverdelen onder meer winnaars.
Een plafond van 10 miljoen euro voor EuroMillions
Het voorstel is radicaal in vergelijking met de jackpots waaraan EuroMillions zijn spelers gewend heeft gemaakt. Jonas Van der Slycken stelt voor om de hoofdprijs te beperken tot 10 miljoen euro. Boven dat bedrag zou het geld dat normaal zou dienen om de prijzenpot te laten groeien, worden herverdeeld.
De econoom stelt dus niet alleen het bedrag van de jackpot in vraag. Hij viseert het accumulatiemechanisme zelf. Wanneer geen enkele speler de hoofdprijs wint, stijgt het beschikbare bedrag, waardoor geleidelijk gigantische jackpots kunnen ontstaan.
Het is precies dit principe dat hij wil onderbreken. In plaats van een steeds groter bedrag te concentreren bij een extreem klein aantal winnaars, zou het overschot meer prijzen kunnen financieren.
“Waarom van één persoon een multimiljonair maken wanneer we veel meer mensen een duwtje in de rug kunnen geven?”, vraagt hij.
De verandering zou aanzienlijk zijn. De bedragen boven het plafond zouden volgens zijn voorstel kunnen worden verdeeld via prijzen van 100.000 of 50.000 euro, onder meer dankzij extra codes. Een andere mogelijkheid zou erin bestaan een deel van dat geld te gebruiken als startkapitaal voor jongeren.
Enorme jackpots voor minuscule kansen
Drie mensen in België zijn onlangs multimiljonair geworden dankzij EuroMillions. Een speler won begin juni 80 miljoen euro, daarna benaderde een andere winst de 175 miljoen euro de maand nadien, en een laatste speler won 111 miljoen in augustus.
Deze bedragen maken des te meer indruk omdat de kans om met één rooster de hoofdprijs te winnen extreem klein is.
Volgens Van der Slycken bedraagt de kans om met één biljet de EuroMillions-jackpot te winnen ongeveer één op 140 miljoen. Hij plaatst dat cijfer naast de jaarlijkse kans om in België door de bliksem te worden getroffen, die hij op ongeveer één op drie miljoen schat.
De econoom geeft een eenvoudige verklaring: spectaculaire bedragen voeden de droom. Hoe duizelingwekkender de bedragen worden, hoe meer ze spelers kunnen aantrekken. Zelfs wanneer zij rationeel weten dat ze zeer weinig kans maken om te winnen, kunnen ze de mogelijkheid overschatten dat het uitzonderlijke scenario zich voordoet.
De jackpot belooft minder luxe dan vrijheid
De aantrekkingskracht van de loterij zou echter niet alleen neerkomen op het verlangen naar onbetaalbare auto’s, villa’s of extravagante uitgaven.
Volgens Jonas Van der Slycken spreken winnaars zelden over buitensporige plannen. Hun wensen zouden vaak veel gewoner zijn: een huis kopen, geld doorgeven aan kinderen of kleinkinderen, reizen of gewoon met meer financiële rust leven.
De echte ambitie achter de jackpot zou dus autonomie kunnen zijn. Geld biedt de mogelijkheid om te kiezen, bepaalde zorgen te verminderen en over meer tijd te beschikken. De econoom benadrukt ook dat mensen steeds meer worden aangespoord om zelf een deel van hun financiële zekerheid te verzekeren, met name via sparen, beleggingen of de voorbereiding van hun pensioen.
Een onderzoek van de Universiteit Gent dat door Van der Slycken wordt aangehaald, geeft bovendien aan dat de ondervraagden 10 miljoen euro beschouwen als een ideaal bedrag om te winnen.
10 miljoen winnen plaatst je al bij de rijksten
De econoom plaatst de winsten ook binnen de algemene vermogensverdeling. Volgens de cijfers die hij aanhaalt, zou het winnen van de oorspronkelijke jackpot van één miljoen euro in de klassieke loterij iemand al bij de rijkste 4 % van Europa brengen. Met 10 miljoen euro zou een winnaar tot de rijkste 0,1 % van de Europeanen behoren.
Vanuit dat oogpunt zou het beperken van EuroMillions tot 10 miljoen euro de hoofdprijs niet omvormen tot een bescheiden beloning. De winnaar zou nog steeds extreem vermogend blijven.
Dat is een van de fundamenten van wat Van der Slycken voorstelt als een regeneratieve loterij: het principe van het spel en van grote winsten behouden, maar tegelijk de concentratie van bedragen bij enkele personen verminderen. Het model zou steunen op “meer winnaars van kleinere prijzen”, in plaats van op de vermenigvuldiging van uitzonderlijke fortuinen.
Vergroot de loterij echt de ongelijkheid?
Voor Van der Slycken gaat de vraag veel verder dan het lot van de grote winnaars. Hij beschouwt de loterij als een weerspiegeling van de werking van de samenleving en van haar verhouding tot ongelijkheid.
Met een biljet kan men, voor een relatief toegankelijk bedrag, de mogelijkheid kopen van een spectaculaire financiële klim. Omdat deelname betaalbaar blijft, kan een zeer groot aantal spelers samen een immense prijzenpot voeden.
Het probleem verschijnt volgens de econoom vooral wanneer men kijkt naar wie speelt. Onderzoek toont een grotere deelname aan bij mensen met bescheiden inkomens, onder meer omdat zij het gevoel kunnen hebben financieel achterop te raken. Zij zouden gemiddeld een groter deel van hun budget besteden aan loterijproducten dan huishoudens met hogere inkomens. Hij noemt dit fenomeen een vorm van regressieve heffing.
Dan treedt een tweede mechanisme in werking: elke euro die aan een biljet wordt uitgegeven, kan niet meer worden gespaard of geïnvesteerd. Terwijl sommige huishoudens geleidelijk kapitaal opbouwen, besteden andere een deel van hun inkomen aan kansspelen. Over een lange periode kan dat verschil volgens hem bijdragen aan het versterken van de kloof.
Een activiteit die toch geld teruggeeft aan de samenleving
De kritiek moet echter worden geplaatst binnen de financiële werking van de Belgische loterij.
Volgens de cijfers van 2023 realiseerde de Belgische Nationale Loterij een jaarlijkse omzet van 1,5 miljard euro. Meer dan een miljard euro zou aan winnaars zijn uitgekeerd.
Daarnaast werd 220 miljoen euro besteed aan goede doelen, terwijl 145 miljoen euro aan de Belgische Staat werd betaald in de vorm van een monopolierente, als tegenprestatie voor het recht om loterijen uit te baten.
Loterijen dragen zo bij aan de financiering van sociale projecten, gezondheid, onderzoek, cultuur en sport.
Van der Slycken ontkent deze herverdelingen niet. Zijn bezwaar richt zich op de structuur van het spel zelf: volgens hem verhinderen deze positieve effecten niet dat het systeem een extreme concentratie van winsten normaliseert.
Tienduizenden euro’s in plaats van een gigantische jackpot?
Zodra het plafond van 10 miljoen wordt bereikt, zouden de extra bedragen kunnen worden omgezet in talrijke tussenwinsten. Van der Slycken verwijst expliciet naar prijzen van 100.000 euro of 50.000 euro. Zijn redenering steunt op het idee dat een veel kleiner bedrag dan een jackpot van 100 miljoen de situatie van een huishouden al grondig kan veranderen.
Hij trekt deze logica verder door door jonge volwassenen te vermelden. Een deel van de inkomsten zou via loting kunnen worden gebruikt om hen startkapitaal te geven.
Onderzoek van de Universiteit Gent dat door de econoom wordt aangehaald, zou aantonen dat een startkapitaal van 7.000 euro al belangrijke gevolgen kan hebben. Zo’n bedrag zou meer keuzes mogelijk kunnen maken bij het begin van het beroepsleven, vermijden dat iemand onmiddellijk de eerste beschikbare job moet aanvaarden en een betere afstemming tussen iemands talenten en activiteit vergemakkelijken.
Zouden spelers lagere jackpots aanvaarden?
Dat is waarschijnlijk de belangrijkste potentiële zwakte van het project. Gigantische jackpots vormen vandaag een van de motoren van de aantrekkingskracht van loterijen. Van der Slycken erkent dit bezwaar zelf. Het maximumbedrag sterk verlagen zou dus het gedrag van spelers kunnen veranderen.
Maar het omgekeerde effect is volgens hem niet uitgesloten. Een systeem met meer winnaars en meer kansen om een aanzienlijk bedrag te ontvangen, zou ook aantrekkelijk kunnen worden. Hij haalt het voorbeeld aan van 21 vrienden uit Zingem, in Oost-Vlaanderen, die in januari samen 123 miljoen euro wonnen. Door collectief te spelen, hadden zij vrijwillig het principe van een gedeelde winst aanvaard. Het individuele aandeel bedroeg toen ongeveer zes miljoen euro. Voor de econoom toont dit voorbeeld dat een vermogen dat lager ligt dan de totale jackpot toch voldoende aantrekkelijk kan blijven.
Zou meer geld verdelen mensen minder doen werken?
Een ander bezwaar heeft betrekking op de arbeidsmarkt. Als meer mensen aanzienlijke bedragen zouden ontvangen, zouden sommigen dan kunnen beslissen om minder te werken?
Van der Slycken acht dat effect beperkt, vooral omdat een loterij een kansspel zou blijven met een beperkt aantal begunstigden.
Hij steunt ook op psychologisch onderzoek rond motivatie: loon zou niet de enige reden zijn om te werken. Professionele activiteit beantwoordt ook aan intrinsieke motivaties, aan de zin om te ondernemen of bij te dragen aan de samenleving. Hij verwijst ook naar experimenten met een basisinkomen in Canada in de jaren 1970 en, recenter, in Duitsland. Volgens hem hebben die geen massale terugtrekking uit de arbeidsmarkt veroorzaakt.
Beperktere veranderingen kunnen wel optreden. Jonge ouders kunnen bijvoorbeeld meer tijd aan hun kinderen besteden, terwijl sommige mensen gemakkelijker van job kunnen veranderen.
Winsten belasten of EuroMillions rechtstreeks hervormen?
Een andere piste zou erin bestaan de winsten zwaarder te belasten. Van der Slycken vergelijkt België met Nederland, waar een kansspelbelasting van 37,5 % wordt vermeld voor winsten boven 449 euro. In België zijn loterijwinsten vrijgesteld van belasting.
Volgens de raming van Van der Slycken had zo’n belasting in België in 2024 meer dan 100 miljoen euro kunnen opleveren. Dat bedrag had in zijn scenario bijvoorbeeld startkapitaal kunnen verschaffen aan 20.000 jongeren.
Hij beschouwt fiscaliteit echter als een onvolmaakte correctie. Een belasting neemt een deel van de winst af na de toekenning ervan, maar schaft het principe van de gigantische jackpot niet af. Zijn voorkeur gaat daarom uit naar een wijziging van het ontwerp van het spel.
Loterijen zijn al begonnen met het vermenigvuldigen van winnaars
Het idee zou niet volledig van nul vertrekken. Loterijen experimenteren al meerdere jaren met mechanismen die meer gegarandeerde winnaars creëren, onder meer dankzij extra codes. Overgaan naar een strikt plafond zou echter een veel diepgaandere verandering betekenen. De econoom verwacht trouwens terughoudendheid tegenover het opgeven van het accumulatiemechanisme van jackpots. Hij meent dat de overheid zou kunnen ingrijpen door het principe van een groter aantal winnaars op te nemen in het openbare contract dat de activiteit regelt.
Hij stelt ook dat het idee van een loterij met meer winnaars belangstelling wekt bij verschillende politieke formaties, waarbij hij met name vicepremier en minister van Begroting Vincent Van Peteghem noemt.
EuroMillions op 10 miljoen: een andere definitie van de hoofdprijs
Voor Jonas Van der Slycken is geld slechts een deel van het antwoord. Hij verwijst ook naar sociaal, cultureel en persoonlijk kapitaal: de relaties waarop iemand kan rekenen, zijn fysieke en mentale gezondheid, zijn vaardigheden of zijn culturele omgeving. Een plots fortuin kan iemands vermogen ingrijpend veranderen, maar het heft niet automatisch alle andere vormen van ongelijkheid op.
Daarom roept de econoom spelers ook op om na te denken over hun eigen keuzes. In zijn boek stelt hij een boycot voor van loterijen met gigantische jackpots zoals EuroMillions en nodigt hij wie wil blijven spelen uit om te kiezen voor bescheidener loterijen. Maar hij vindt dat individuele verandering niet zo ver kan gaan als een wijziging van de regels.
Zijn project keert zo de traditionele belofte van de jackpot om: in plaats van de droom te concentreren op één persoon die buitengewoon rijk wordt, stelt hij voor om dezelfde geldstroom over een groter aantal winnaars te verdelen.

